|
Hoofdaltaar met de legende van Sint-Gummarus |
|
Het huidige eiken hoofdaltaar is neogotisch en werd ontworpen door baron Jean Bethune omstreeks 1868. Gedurende de jaren 1879 tot omstreeks 1890 werden beeldhouwwerk, polychromie en vergulding uitgevoerd door Leopold Blanckaert en Leonard Bressers (Gent). De schildering van de retabelluiken en predella zijn van de hand van Anthony (Antwerpen).
Retabel en zijluiken geven met in totaal acht taferelen van links naar rechts het legendarische leven weer van Sint-Gummarus. Deze oude vita of levensbeschrijving (ca. 980) verhaalt dat Gummarus te Emblem uit vrome ouders werd geboren. Naar het koninklijke hof gebracht (tafereel 1), onderscheidde hij zich door eenvoud en teruggetrokkenheid. Op aandringen van de vorst huwde hij Grimmara (tafereel 2), die zich echter door gemis aan vroomheid zou kenmerken. Zo trad zij tijdens Gummarus’ afwezigheid uitermate hardvochtig op tegen haar onderdanen. Eens toen hij op bedevaart naar Rome trok, liet hij een boom omhakken om zijn tent op te stellen (tafereel 3). De eigenaar maakte hier groot bezwaar tegen. Gummarus richtte de boom op, omwond de stam met zijn gordel en herstelde hem na een vurig gebed, zodat zelfs geen spoor van het omhakken zichtbaar bleef. Slechts een indruk van de riem was nog te zien.
In de nacht waarin Gummarus dit wonder had verricht, verscheen een engel die hem het bevel gaf zijn Romereis af te breken en op Nivesdunk, een naburig eilandje in het moerassige Netenlandschap, een bos te rooien en een bidplaats op te richten. Gummarus volgde het bevel op en bouwde er een kerkje ter ere van de H. Petrus (tafereel 4). En al bleef hij te Emblem wonen, om te bidden zou hij steeds naar Nivesdunk komen. Meerdere wonderen tonen Gummarus’ heiligheid. Toen zijn maaiers, door hitte en overwerk uitgeput, van zijn boze vrouw geen verpozing of drank kregen, deed hij voor hen een bron ontspringen die allen overvloedig laafde. Zijn vrouw genas hij, toen een onlesbare dorst haar leven bedreigde (tafereel 5). Aan een moeder schonk hij een kindje ongedeerd terug, nadat een slang in de mond van het wicht was gekropen (tafereel 6). En na een ontmoeting met Rumoldus vertoonde de staf van beide heiligen blad en bloem (tafereel 7).
Gummarus stierf op een elfde oktober en werd te Emblem begraven. Doch aan een vrome vrouw gaf hij in een droom opdracht om zijn gebeente naar de Sint-Pieterskapel te laten overbrengen. En ook deze overbrenging ging met een wonder gepaard, want niemand van de aanwezige hoogwaardigheidsbekleders kon zijn stoffelijke resten uit het graf optillen, behalve een varkenshoeder die vroeger voor Gummarus had gewerkt (tafereel 8). Veertig jaar bleef Gummarus in zijn bidplaats rusten. Daarna werd hij overgedragen naar de nieuwe munsterkerk, waar hij vele wonderen verrichtte.
Historisch onderzoek werpt een genuanceerder licht op de Lierse patroonheilige. Eens leefde in Waterheem of Emblem, door de twee Neten doorsneden, een vrome kluizenaar. Als vrije Frank had hij zich teruggetrokken op een eilandje Nivesdunk, een kleine verhevenheid te midden van de moerassige streek waar beide rivieren samenvloeien. Wellicht werd Nivesdunk al in oeroude tijden bewoond door enige Kelten die er ter ere van hun god een bidplaats hadden opgericht, een heilig bos aangeplant en een vaag godsbeeld opgericht. Bij hemelse ingeving had Sint-Gummarus samen met enkele gezellen het bos gerooid en een bid- en woonplaats opgetrokken, waar hij zijn dagen in gebed en goeddoen doorbracht. Na een vroom en heilig leven stierf hij op Nivesdunk (waarschijnlijk in 714) en werd hij er ook begraven. Weldra kwamen meer mensen zich vestigen bij het graf van Sint-Gummarus. De kleine bidplaats groeide stilaan uit tot een gemeenschap die het als haar voorname taak beschouwde de herinnering aan haar goede heilige te bewaren en de verering levendig te houden. Aan de rand van de vlek werd een kerkje gebouwd en men besloot er Sint-Gummarus’ lichaam naar over te brengen. Veertig jaar zou Sint-Gummarus in het Sint-Pieterskerkje rusten.
Ondertussen was
de bevolking van de villa-van-Sint-Gummarus aangegroeid; er werd
besloten een eenvoudig munster te bouwen waarin zowel mannen als
vrouwen zorg zouden dragen voor de lof van de Heer en van de Heilige
Gummarus. In 754 kwam het klaar en met grote luister werden de
relieken naar de nieuwe kerk overgebracht. Zovele wonderen versterkten het vertrouwen in de heilige patroon. Talrijke pelgrims gingen op bedevaart naar zijn graf om zijn hulp in te roepen en Sint-Gummarus stelde ze niet teleur. Ook in onze tijd blijft Sint-Gummarus de Lierse stadspatroon en komen velen bij hem bidden om innerlijke rust en vrede, opdat hij van de Heer zou verkrijgen wat menselijke onmacht niet kan tot stand brengen. |