|
Toen de
Lierenaars in 1378 onder leiding van bouwmeester Hendrik Mijs uit
Mechelen de bouw aanvatten van de huidige Sint-Gummaruskerk, stond
er op de uitgekozen bouwplaats een versleten romaanse kerk die
dateerde van omstreeks het einde van de tiende eeuw. Dit gebedshuis
was aanvankelijk toegewijd aan Sint-Jan de Doper, maar omstreeks
1200 verdrong de populaire en plaatselijke volksheilige
Sint-Gummarus de officiële patroon.%20(Large).jpg)
De nieuwe
kerk in Brabants-gotische stijl werd vanaf de westelijke toren over
het oude romaanse gebedshuis opgetrokken dat, naargelang de
nieuwbouw vorderde, geleidelijk werd gesloopt. Vanaf 1425 werden de
middenbeuk en de twee zijbeuken gebouwd volgens de richtlijnen van
bouwmeester Jan II Keldermans. In 1441 was het kerkschip al in
gebruik voor de eredienst. Meester-metselaar Jan Van Hazeldonck nam
van 1460 tot 1475 de kruisbeuk voor zijn rekening. Na een inspectie
van de afgewerkte kruisbeuk in 1476 begon bouwmeester Andries I
Keldermans aan de kooromgang te bouwen vanaf de zuidzijde. In 1483
kwam de leiding in handen van bouwmeester Herman de Waghemakere uit
Antwerpen, verwant met de familie Keldermans, die aan de noordelijke
zijde de kooromgang aanpakte. Zijn zoon Domien nam als bouwmeester
vanaf 1493 de fakkel over. Hij voltooide de kooromgang en het
hoogkoor in 1515. In 1517 wijdde de suffragaan van Kamerijk het
hoofdaltaar en negen altaren van de kooromgang. Tussen 1533 en 1550
verlengde men de noordelijke en de zuidelijke kruisbeuk met één
travee en werd de bestaande O.-L.-Vrouwekapel (ca. 1450) aangebouwd.
De godsdienstoorlogen en de daaruit voortvloeiende rampzalige
toestand in de Nederlanden, vertraagden de afwerking. Slechts in de
zeventiende eeuw slaagde men erin om het hoogkoor te overwelven
(1624), de gevel van de noordelijke kruisbeuk op te trekken (1637)
en de borstwering aan de daken aan te brengen (1642). De torennaald
werd in 1609 en opnieuw in 1702 door blikseminslag vernield. Bij de
laatste schade werd in 1707 de bovenste barokke achtkant opgetrokken
en in 1754 eindelijk de kap.
De Sint-Gummaruskerk mag gerust als een der meest vooraanstaande
gotische kerken der Nederlanden worden beschouwd en meer in ’t
bijzonder als een van de meest representatieve vertegenwoordigsters
van de Brabantse gotiek. De toren is de oudste onder de monumentale
Brabantse torens en tevens ook de eenvoudigste: het vierkant gaat
brutaal over naar de achtkant met als enig bemiddelingselement de
pinakeltjes welke de borstwering onderbreken, daar waar de achtkant
het vierkant afschuint. Zeer opvallend is de homogeniteit van het
bouwwerk ondanks een bouwperiode van ongeveer twee eeuwen. Op een
enkel detail na hebben de opeenvolgende bouwmeesters zich gehouden
aan de conceptie die in 1425 door bouwmeester Jan II Keldermans werd
ontworpen. Dat dit uitgezette grondpatroon uiteindelijk werd
gerealiseerd, is toe te schrijven aan de twee Brabantse
bouwmeesterfamilies Keldermans en de Waghemakere, die verwant waren
met elkaar en op de kerkelijke bouwwerf te Lier in hoofdzaak de
dienst hebben uitgemaakt.
De
Sint-Gummaruskerk is nauw verwant met haar prototype van Mechelen:
de Sint-Romboutskathedraal. Vooral in het koorhoofd is dat te
merken. De plattegrond daarvan is gewoon overgenomen, t.w. de
zevenkantige sluiting waarrond de kooromgang met zeven elkaar
rakende straalkapellen. Een onregelmatigheid in het grondplan is de
zuidelijke zijbeuk waar, in tegenstelling tot de noordelijke,
ondiepe zijkapellen zijn uitgewerkt. Deze asymmetrische schikking is
echter gewild en komt ook elders in Brabant voor. De grote lijnen
van de binnenordonnantie van de Sint-Gummaruskerk zijn uitgevoerd
naar de Mechelse kerken Sint-Rombouts en O.-L.-Vrouw-over-de-Dijle:
rondpijlers en met wat zo typisch is voor Brabant, de dubbele
koolbladkapitelen. Verder het over geheel de kerk doorlopende
triforium waarvan de monelen doorlopen in de ramen om in de
spitsbogen te eindigen met een korf van gotisch maaswerk. Dit
triforium vinden we terug in veel Brabants-gotische kerken. In
tegenstelling met al deze kerken, waar die traceringen min of meer
strak geometrisch zijn gehouden, zijn die van de Sint-Gummaruskerk
in enigszins flamboyante geest opgevat, wat mogelijk door de
betrekkelijk laattijdige bouwdatum is te verklaren.
De
buitenarchitectuur van de Sint-Gummaruskerk is eenvoudige Brabantse
gotiek zonder in de te povere soberheid van de Antwerpse kerken van
rond 1500 te vervallen. Alle te flamboyante laatgotiek is zoveel als
mogelijk geweerd, zodat van alle Brabants-gotische kerken de
hooggotiek in de Sint-Gummaruskerk van Lier zich het best heeft
gehandhaafd.
De Lierse
Collegiale is ontegensprekelijk geïnspireerd door de oudere Franse
kruisbasilieken. Maar de enorme verticaliteit met haar
duizelingwekkende hoogten die in de grote Franse kathedralen
triomfeert, werd in Lier, zoals in alle Brabants-gotische kerken,
afgezwakt door de Vlaamse burgerlijkheid. Door het inschakelen van
de rondzuil en de geringere hoogte verkrijgt men in de Brabantse
streken de minder bovenmenselijke stadskerk. Daar waar de Fransen in
hun grote kathedralen door de immense verticaliteit hun opgang naar
God en hun verlangen naar de hemel gestalte geven, drukken de
Brabanders in hun kerken ook wel dit verlangen uit maar spreken ze
tegelijk hun gehechtheid aan de hemel op aarde uit, of zoals een
zegswijze het zo typisch uitdrukt: “De Brabander looft onophoudelijk
God maar altijd met een stuk spek tussen zijn tanden.”
|