Het Koordoksaal

 

De bevoorrechte plaats van het kapittel was het hoogkoor. Daar werd dan ook speciaal voor de kapittelheren een koorgestoelte opgericht. Het gewone volk was toegelaten tot de middenbeuk en de zijbeuken en was van het hoogkoor afgescheiden door een koordoksaal. Het woord "doksaal" is afkomstig van het Byzantijns-Griekse woord "doxologie" wat "lofprijzing van de Heer" betekent. Deze eer(doxa)-bewijzen geschiedden boven op het koordoksaal door een koor en een diaken op de plaats van de kansel waar nu het torentje staat. Dat torentje, met Sint-Gummarus en twee van zijn wonderen, is inderdaad niet origineel. Het werd er bij de restauratie in 1850 aan toegevoegd in Franse steen van Avesnes, evenals de beeldjes van de overige taferelen, omdat de schade van de Beeldenstorm van 1580 toen nog altijd niet was hersteld. De rijkelijk versierde jubee in zogenaamde vlamgotiek werd in 1536-1538 gemaakt door de Mechelse beeldhouwers Frans Mijnsheren en Jan Wisschavens in de gotische traditie met witte steen van Avesnes en blauwe steen van Ecaussinnes.  "Jubee" is nog een andere naam voor doksaal. In het Frans wordt hij nog steeds "jubé" genoemd. "Jubee" is afgeleid van de imperatief enkelvoud van het Latijnse werkwoord "iubere" (bevelen, laten), zijnde het eerste woord van de Latijnse formule welke eertijds door de diaken vanaf de kansel vóór het evangelie werd gezongen, nl. "Iube, Domine, benedicere" of "Heer, laat zegenen".
Frontaal aanschouwd lijkt het koordoksaal puur kantwerk. Die indruk wordt gewekt door het distelbladmotief dat overal, half opengewerkt, aanwezig is. Bij goed toekijken bemerkt men de kruisweg bovenaan de balustrade van het koordoksaal met zestien staties. Dus twee meer dan traditioneel. Dat komt omdat zestien staties in de uitvoering voor esthetischer verhoudingen zorgde. Statie één voorstellend de “Judaskus” en zestien de “Verrijzenis van Christus” gaan tegen de traditie in, maar hebben wel degelijk te maken met het lijdens­ver­haal van Jezus. In de frontaal geplaatste figuren boven elk pilaarkapiteel herkent men van links naar rechts aan de vergezellende attributen de vier evangelisten: Sint-Matteüs met de mens, Sint-Lucas met de stier, Sint-Marcus met de leeuw en Sint-Johannes met de arend.

Aan de linkerzijde plaatste Peeter Verbruggen de Oude in 1658 het portiekaltaar van O.-L.-Vrouw van Zeven Weeën. Peeter Verbruggen is ook de beeldsnijder die grotendeels instond voor de uitvoering van de preekstoel. Twee getorste pilaren omkaderen het schilderij van O.-L.-Vrouw van Smarten (1861), geschilderd door J. Nauwelaerts (Lier 1823-1875). Bovenaan bevindt zich het medaillon (1658) van Sint-Severus, patroon van de linnenwevers, uit de Antwerpse school.De nis met relieken van de pestheiligen links van het altaar (1664) bewijst dat de pest in de tweede helft van de zeventiende eeuw nog een te duchten gesel was.

Het H. Kruisaltaar aan de rechterzijde dateert van 1644 en fungeerde vroeger als parochiealtaar. Het is volledig gewijd aan Christus' lijden. In het midden valt de Calvarie (ca. 1644) op geschilderd door Peeter Franchoys (Mechelen 1606-1654), die zeer sterk de invloed van de geniale Antoon van Dijck onderging. Ook voor de Calvarie in de Sint-Gummaruskerk liet Peeter Franchoys zich inspireren door het gelijknamige werk van Antoon van Dijck, dat thans in het MVSKA wordt bewaard. Verder bemerkt men aan weerszijden van het schilderij tegen een lichtjes geprononceerde pilaar, telkens een koppel engelen waarvan de benen niet zijn uitgewerkt, zogenaamde hermen. Boven de engelenhoofden priemt een Ionisch pilaarkapiteel. De engelen zijn vergezeld van enkele passiewerktuigen van Jezus en in de cartouche bovenaan staat de apocriefe uitbeelding van de zweetdoek van Veronica.
De nis rechts van het H. Kruisaltaar bevat de relikwie van het Heilig Kruis (1737). Naast de vier evangelisten hebben ook de vier westerse kerkvaders hun plaatsje gekregen op het koordoksaal. Aan de noordelijke schuine zijde staat uiterst links Sint-Gregorius de Grote (met de duif op de schouder) en uiterst rechts Sint-Ambrosius (met bijenkorf). De kerkvader aan de linkerkant van de noordelijke schuine zijde van het koordoksaal is Sint-Augustinus. Hij toont een vlammend hart in de omhooggestoken hand. De laatste kerkvader, sjofel gekleed en met ontblote borst, is Sint-Hiëronymus van Bethlehem. Aan zijn voeten ligt een doodshoofd en hij slaat deemoedig met een kei op zijn borst.

Home