De Lierse kopie van de Lijkwade van Turijn

 

Beschrijving
Er zijn thans in heel de wereld 69 kopieën van de lijkwade van Turijn gekend. Daarvan is de Lierse kopie, die dateert van 1516, de oudste. Zij bevindt zich in de schatkamer van de Sint-Gummaruskerk.
Voor- en achterzijde van de gestorven Christus zijn geschilderd op een lichtkleurige, fijn geweven katoenen doek waarvan de afmetingen ongeveer een derde bedragen van het origineel. Beide voorstellingen van het lichaam zijn elk 62 cm lang en werden met het hoofd naar elkaar gekeerd. Hierdoor lijkt het dat Christus op het textiel lag, dat over zijn hoofd heen werd gevouwen. De Messias is voorgesteld met gekruiste handen en voeten. Het hoofd heeft lang haar dat over de schouders golft en achteraan in vijf staartjes is verdeeld. Het gezicht vertoont een snor en gespleten baard; op voor- en achterzijde zijn lichtrode vlekken te zien als sporen van de doornenkroon. De ogen zijn geopend. De linkerkant van de borst is getekend door een grote rode vlek. Verder zijn wonden te bespeuren op handen en voeten in de vorm van rode punten. Op de achterzijde vertonen de voeten rode sporen. Zowel aan voor- als achterzijde werden enkele rode stippen aangebracht. Ze zijn telkens links en rechts van de Heiland geplaatst in groepjes van vier: drie stippen naast elkaar en één boven. Een uitzondering hierop is de rechterzijde van de voorkant met enkel drie rode stippen. Op het origineel zijn deze rode stippen ingebrande gaten. Tussen de twee zijden van het hoofd staat bovenaan de datum 1516 en hieronder werd een Latijns zesregelig vers kalligrafisch geschreven. Helemaal beneden van de lijkwade staat in
hetzelfde lettertype over geheel de lengte een Duitse tekst.
Uit het materiële onderzoek blijkt dat de Lierse kopie een imprint laat zien op zowel voor- als achterzijde, wat een aanwijzing is dat een vorm met veel kracht op de katoenen doek werd gedrukt. Naast deze indruk zijn ook puntjes te zien. Vermoedelijk werd eerst een sjabloon gemaakt in de vorm van Christus’ lichaam. Deze sjabloon werd vervolgens gedrukt op het textiel en veroorzaakte zo de imprint. De sjabloon zelf was doorgeprikt, zodat de gaatjes konden ingekleurd worden met vermoedelijk houtskool in poedervorm. Zo werden donkere stippen gevormd, die als coördinaten dienden om het lichaam te schilderen waarvan de borstelstreken duidelijk waarneembaar zijn. Voor de schildering van de contouren werd een lichte geelbruinachtige verf gebruikt, waarschijnlijk op basis van eiwit. Hierop werden met een donkere kleur, waarschijnlijk met als hoofdbestanddeel houtskool, de beenderen en het hoofd weergegeven, waarvan de penseelstreken eveneens zichtbaar zijn, voornamelijk op de achterzijde van het lichaam.


 

Van de originele lijkwade geloofde men dat Jozef van Arimatea er Jezus mee omhulde voor die in ’t graf werd gelegd. Ze werd bewaard in de hertogelijke kapel van het huis van Savoie te Chambéry in Frankrijk. Vanaf 1578 berust ze echter in de Johannes de Doperkerk te Turijn. Aangezien de Lierse kopie de oudst gedateerde (1516) en enige kopie is van vóór de brand van 1532 in de kapel van Chambéry waarbij de lijkwade zware schade opliep, is zij de enige die het uitzicht toont van het origineel voor de beschadiging.

De Lierse kopie van de lijkwade wordt origineel bewaard in een 42 cm lange, ronde koker met een diameter van 4,3 cm. Deze houten cilinder is overtrokken met zwartleder en wordt afgesloten met een houten afsluitstuk. Om het doek in de koker te bergen, wordt het eerst rond een houten lat gedraaid.

Wie is de opdrachtgever en eigenaar van de Lierse lijkwade?
Een aantal auteurs verwijst naar Margareta van Oostenrijk als de opdrachtgeefster tot het vervaardigen van de Lierse kopie van de lijkwade van Turijn en als de bezitster ervan. Zij en haar vader koesterden een grote verering voor de lijkwade waarvan haar echtgenoot, Philibert II van Savoye, eigenaar was toen die nog in Chambéry berustte. Er bestaat eigenlijk geen overtuigend bewijs dat Margareta van Oostenrijk de opdracht tot het vervaardigen van een kopie van de Turijnse lijkwade zou gegeven hebben. Dat zij een kopie ervan in persoonlijk bezit had, staat echter historisch vast. In de inventaris, opgemaakt ter gelegenheid van haar verhuis van Mechelen naar Brussel in 1523, staat wel degelijk een lijkwade vermeld. Het is echter niet zeker of het hier de Lierse kopie betreft. Maar het zou best kunnen. Ze kan de kopie gekocht of gekregen hebben. Ofwel de opdracht te hebben gegeven, gezien haar mecenaat, devotie en het prestige dat een dergelijk object meebrengt.

 Wie is de auteur van de Lierse lijkwade?
Beroemde schilders als de Vlaming Barend van Orley en de Duitser Albrecht Dürer komen in beeld als de vraag naar het auteurschap wordt gesteld.
Barend van Orley was vanaf 1518 hofschilder van Margareta van Oostenrijk, maar er bestaat voor zijn eventueel auteurschap met betrekking tot de Lierse kopie geen onomstootbaar bewijs. Bovendien moet men toegeven dat de schildering van Christus op de Lierse lijkwade niet overeenstemt met Barends streven naar harmonie en klaarheid in zijn werken en zijn specialisatie in veelzijdige kunsttechnieken.
Meerdere argumenten haalt men aan om Albrecht Dürer te bestempelen als de auteur van de Lierse lijkwade. Vooreerst omwille van de zekerheid dat de Duitse kunstenaar op zijn reizen beschikte over het type van koker gelijk aan die waarin de Lierse kopie wordt opgeborgen. Dat de Duitse tekst op de Lierse kopie in het Neurenbergs dialect is gesteld, de stad waar Dürer was geboren en leefde, wordt eveneens aangevoerd om Albrecht Dürer op te zadelen met het auteurschap ervan. Als auteur van de Latijnse tekst wordt door sommigen Willibald Pirckheimer (1470-1530) naar voren geschoven, een humanist die vaak samenwerkte met A. Dürer. Maar de gekunstelde Latijnse verzen maken een toeschrijving aan Pirckheimer twijfelachtig en dus ook de link met Dürer.

Hoe is de Lierse lijkwade in de Sint-Gummaruskerk terecht gekomen?
Algemeen wordt aangenomen dat Lierse kopie van de lijkwade afkomstig is van de Lierse abdij van Nazareth (1235). Tijdens de Franse Revolutie werd de abdij opgeheven, de inboedel verkocht en de gebouwen gesloopt.
In 1615 schreef de voormalige Lierse burgemeester Richard van Graesen de “Kroniek van Lier”. In dit handschrift komt een merkwaardige passage voor waarin verteld wordt, dat “een graaf” in 1516 aan de zusters van Nazareth een lijkwade ten geschenke gaf. Hij deelt zoveel details mee dat het vrij zeker is dat het hier de Lierse kopie betreft.
Het is zeer goed mogelijk dat “de graaf”, die de kopie van de lijkwade aan de abdij schonk, niemand minder is dan Antoon van Lalaing. Het vermoeden bestaat dat de lijkwade in november 1530 in de abdij is gekomen. Aangezien het ziektebeeld van de landvoogdes toen merkelijk verergerde omwille van koudvuur in haar voet, en het duidelijk werd dat alleen nog vurig bidden om een mirakel redding kon brengen, is het niet denkbeeldig dat Antoon van Lalaing, vertrouwd met de Lierse situatie en vertrouweling van de landvoogdes, de kopie van de lijkwade aan de cisterciënzerinnen bezorgde. Margareta van Oostenrijk bewaarde de kopie van de lijkwade in haar slaapkamer en zij geloofde dat het biddend aanschouwen van de lijkwade, het leven verlengde en wonderen verrichtte.
Ongetwijfeld werden vóór en na de opheffing van de abdij in 1797 nog heel wat stukken van religieuze aard in veiligheid gebracht, waaronder de kopie van de lijkwade. Naast deze kopie bewaart de Sint-Gummaruskerk nog andere voorwerpen die afkomstig zijn van de abdij van Nazareth.


In de abdij van Nazareth wordt bewaert een weerdich stuc dat is te weeten
het derdendeel vande doeck oft cleet daer Joseph van Ariamatyen inwont
het lighaem ons salighmakers doen hij vanden cruysen gedaen was;
het is eenen langhen doeck
maar smal ende schynt te wesen van cattoen ende is wat bruynachtich,
het tweede stuck wort bewaert tot Cameryc in saphoyen maer
en seyt niet waer het derde bewaerdt wordt
In 't jaer xv c en xvj soe isser tot Nasereth inde abdye gheweest
eenen graeff den welcken dit weerdich stuck
daer ter tyt voor groot present had geschonken.
 

Home